Het Eiland Vlieland en Zijne Bewoners

Het Eiland Vlieland en Zijne Bewoners

Author:
Francis Allan
Author:
Francis Allan
Format:
epub
language:
Dutch

%title插图%num
Author: Allan, Francis, 1826-1908
Vlieland (Netherlands)
Het Eiland Vlieland en Zijne Bewoners
HET EILAND VLIELAND EN ZIJNE BEWONERS.

GEDRUKT BIJ P. M. VAN DER MADE.

Kaart van het eiland Vlieland.
F. Allan
1856.

HET
EILAND VLIELAND
EN
ZIJNE BEWONERS.

GESCHETST DOOR
F. ALLAN,
Schrijver van het eiland Texel en zijne Bewoners.
MET EEN KAARTJE.
AMSTERDAM,
WED. BORLEFFS & TEN HAVE.
1857.

„Trek van den Noordpool naar de dorstige Abisijnen,
Elk mint zijn sneeuwspelonk of dorre zandwoestijnen.”

Voorwoord.

Gehoor gevende aan eene uitnoodiging, waarbij ik werd aangezocht, om, even als van de eilanden Texel, Wieringen, enz., ook van Vlieland eene beschrijving voor de pers te leveren, zoo bied ik met de uitgave van dit werkje mijnen Landgenooten de vervulling mijner belofte aan.
Ik vleije mij, dat ook aan dezen arbeid, even als aan andere mijner pennevruchten, een gunstig onthaal ten deel moge vallen; terwijl het mij, bij mogelijke feilen, aangenaam zal zijn, daarvan door den belangstellenden lezer onderrigt te worden.
Dit weinige zou genoegzaam kunnen zijn tot voorberigt, ware het niet, dat ik nog een aangenamen pligt te vervullen hadde: ’t is namelijk de openlijke dankbetuiging, welke ik verschuldigd ben aan den Heer J. Kooij, Openbaar Onderwijzer op Vlieland, die mij bij de zamenstelling van dit werkje veel belangrijks omtrent ZEds. woonplaats mededeelde. Hem zij daarvoor mijnen innigen dank gewijd!
Dat dit werkje vele lezers vinde, wensch ik met al mijn hart.
F. ALLAN.
Eiland Marken,
12 Julij 1857.

INHOUD.

EERSTE HOOFDSTUK.      Bladz
ALGEMEENE BESCHOUWING VAN HET EILAND VLIELAND.      9.
TWEEDE HOOFDSTUK.

§ 1. HET VOORMALIGE DORP WEST-VLIELAND. 21.
§ 2. HET DORP OOST-VLIELAND. 22.

DERDE HOOFDSTUK.
BIJZONDERE GEBOUWEN EN INRIGTINGEN.      26.
VIERDE HOOFDSTUK.
VLIELANDS BEVOLKING.      31.
AANTEEKENINGEN.      34.

HET EILAND VLIELAND EN ZIJNE BEWONERS.

EERSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BESCHOUWING VAN HET EILAND VLIELAND.

Het eiland Vlieland, dat thans ééne gemeente uitmaakt, behoort als zoodanig tot het arrondissement Hoorn, kanton Medemblik.
Het ligt op een half uur afstands N. O. van het eiland Texel, welke ligging naar men meent, zeer geschikt zou zijn tot eene vereeniging met laatstgenoemd eiland, en vatbaar voor eene bedijking, waardoor eene uitgestrektheid lands zou worden aangewonnen van p. m. dertig duizend bunders, grootendeels bestaande uit zeer goede kleigronden.
Van groot gewigt, voorwaar! zou zulk eene onderneming zijn: de instrooming der Noordzee zou daardoor verminderd, de zeegaten van Texel en Vlieland dieper, en een vast bolwerk verkregen worden voor de aan de Zuiderzee en aan de Wadden grenzende provinciën, wier zeeweringen en veiligheid, deze eilanden noodwendig van het grootste belang zijn; naardien de geweldige kracht van de door stroom en wind voortgestuwde watermassa, onophoudelijk strijd voert tegen de zeeweringen van de Friesche en Groninger Noordkusten.
Vlieland is een langwerpig, smal eiland. Van het Oost- tot het Westeinde heeft het eene lengte van ongeveer 5¾ uren gaans; terwijl de grootste breedte misschien ¾ uur bedragen zal. Het oostelijkste gedeelte is geheel met duinen bezet, terwijl het overige eigenlijk slechts eene zandbank is, de Hors1 genaamd, welke bij hooge waterstanden geheel ondervloeit. Door het Eijerlandsche Gat2 is het van het met Texel vereenigde Eijerland, en door den mond des Vliestrooms, van Terschelling gescheiden. Aan den zuid-oostelijken hoek des eilands ligt de nette, doch thans slechts voor binnenvaartuigen en kleine platboomde zeeschepen bruikbare haven, welke men alleen bij hoog water of half tij naderen kan. Uit deze haven komt men in de zoogenaamde Monnikesloot (waarvan straks nader), thans meestal enkel de Sloot3 geheeten, welk vaarwater om de oostzijde van het eiland loopt, op het grootscheeps-vaarwater of Vliestroom uitkomt4, en door onderscheidene gaten in gemeenschap staat met de Noordzee. De voornaamste dezer gaten zijn Oud- en Nieuw-Stortemelk, waarvan echter alleen het laatste bruikbaar is. Het Nieuwe Gat, dat oostelijker ligt, behoort meer aan Terschelling5. Tusschen de Sloot en den mond van den Vliestroom ligt eene zandbank, de Rigchel genaamd, welke zich Noord- en Zuidwaarts, ter lengte van ongeveer een uur gaans uitstrekt, en met de hoogste watergetijden ondervloeit. Uit de haven loopt nog een vaarwater over den Wal (ook de Waard genoemd) ten zuiden van het eiland, waarvan alleen bij wassend of hoog water gebruik kan gemaakt worden, aangezien de Waard met de ebbe bijna geheel droog valt. Deze Waard zou (naar men mij mededeelde) bijzonder geschikt zijn tot eene indijking, daar zij, behalve eene daartoe zeer gunstige ligging, uit goeden kleigrond bestaat. Men vindt er vele en welvoorziene mosselbanken op. Zij strekt zich uit tot het oude Vlie, een vaarwater, dat bijna in eene oost- en westwaartsche rigting van den Vliestroom naar Texel vloeit.
Wat de naams-oorsprong van Vlieland aangaat, zoo meenen sommigen, dat deze gezocht moet worden in den vlietenden grond, die hier in der daad zeer belangrijk is. Deze meening lijdt echter, onzes inziens, schipbreuk op een ander gevoelen, dat meer grond van waarschijnlijkheid in zich bevat, en volgens hetwelk men in Vlieland een overblijfsel van het oude Flevum, Flevo, meent te bezitten. De oude oorkonden melden ons, dat er in het tweede vierde der 13de eeuw een geduchte watervloed heeft plaats gehad, die vooral de Holkamalanden, tusschen Westergoo en de eilanden Terschelling en Vlieland gelegen, overstroomde en aldaar de grootste verwoestingen aanrigtte. Het Vlie zou, in slechts weinige uren tijds, al het land, tusschen Noordholland en Friesland gelegen, overstroomd hebben, en de bewoners, bij het aanbreken van den dageraad het schrikbarend tooneel aanschouwende, elkander hebben toegeroepen: „Het is al Flie-land!” En sedert dien tijd zou dit eiland zijnen naam erlangd hebben. Volgens Winsemius, moet deze stormvloed gesteld worden op den jare 1246, alhoewel wij weten, dat oude Friesche Aanteekeningen dit op 1237 stellen. Dus leest men bij de laatsten:
Da men schreef CIↃCCXXXVII da wasser ien heage zea in Frieslân.” (Toen men schreef 1237, was er eene hooge zee—vloed—in Friesland.)
In vorige eeuwen was Vlieland vereenigd met Texel, doch gescheiden van Terschelling; terwijl er tusschen dit laatste en Vlieland eene rivier in de Noordzee vloeide, welke naar sommiger gevoelen de Vecht, of, volgens andere schrijvers, de mond van het meer Flevo was. Uit deze rivier werd ten jare 1213 eene sloot of grift gegraven langs Vlieland naar Texel, welke, te digt aan de Noordzee gebragt, aanleiding heeft gegeven tot eene doorbraak, die de scheiding van beide genoemde eilanden ten gevolge had.
Ziet hier, welke omstandigheden tot deze doorgraving aanleiding gaven.
Onder de vele geduchte stormvloeden, welke ons vaderland in den loop der eeuwen teisterden, moeten vooral ook genoemd worden de St. Juliaansvloed van 1164 en de Allerheiligen-vloed van 1170. Deze zoo hoogst noodlottige vloeden, en vooral de eerstgenoemde, rigtten in ons vaderland de ontzettendste verwoestingen aan. Het water, door den geweldigen en aanhoudenden orkaan voortgestuwd, rees zoo hoog, dat de zee, volgens geloofwaardige berigten, zelfs tot Utrecht opliep, voor welke stad men toen kabeljaauw en anderen zeevisch ving. Gansch Noordholland en Friesland werden overstroomd; de landen op de Waard, reeds eenmaal aan de baren onttogen, werden andermaal ingezwolgen; terwijl er een gat scheurde tusschen de eilanden Vlieland en Texel, en de golven zich eenen weg baanden tot nabij de Hondsbosschen, zoodat het land, waarop Huisduinen, den Helder en Texel lagen, kort hierna een eiland werd genoemd.
In Friesland vooral, was de schade aan de binnendijken zoo belangrijk en groot, dat vele eigenaars der omliggende landerijen, niet bij magte, om in de herstelling te kunnen voorzien, hunne landen aan de kloosterheeren van Lidlum en Ludingakerk gaven en dezelve verlieten6. De abten en monniken van beide kloosters zagen het in, wat voordeel zij voor zich en voor hunne opvolgers van de noodige bedijkingen zouden kunnen erlangen. Die van het eerstgenoemde klooster, hadden reeds een steenen huis (stins) gebouwd, en ook het Monnikenhuis te Weidum gesticht, met oogmerk, om door hunne leekebroeders de aangeslibte gronden tot bezaaijing of ossenweiden te doen bewerken. Zij trachtten nu nog grootere voordeelen te genieten, en sloten derhalve eene overeenkomst met alle omliggende eigenaren, waarbij zij zich verbonden om de kosten van de geheele bedijking van het Oudland te dragen, tegen het genot der voordeelen van den aanwas. Zoo ontstond de dijk om de Middelzee, van Minnertsga over Rauwert naar Stiens, en zoo werd eerlang deze geheele plas in vruchtbaar land herschapen. Dit gaf, zoo als trouwens ligtelijk is na te gaan, aan de reeds rijke kloosters aanzienlijke voordeelen. Dan, wel verre dat de kloosterlingen zich met hetgene zij bezaten, tevreden zouden gesteld hebben! Integendeel, met de vergrooting hunner rijkdommen, nam ook de begeerte tot het bezit van meerdere schatten toe: met de uitbreiding hunner bezittingen, wies ook de zucht om hunne schatkist te stijven, te meer aan. Om de aanslibbing te bespoedigen, hunne landerijen tegen overstrooming te beveiligen, en door eene gemakkelijke communicatie den bloei van hunnen handel te bevorderen, lieten zij onderscheidene doorgravingen en waterleidingen maken, welker aanleg, gelijk zulks, helaas! te laat bleek, de treurigste gevolgen na zich sleepte. Het was vooral de vermaarde abt van Lidlum, Gerhardus, die den kloosterlingen den aanleg van een kanaal tusschen Vlieland en Terschelling, ontried. Zijne wijze raadgevingen en gegronde aanmerkingen leden echter schipbreuk op de waanwijsheid en het eigenbelang der ontwerpers, en, zoo als wij bevorens reeds hebben aangemerkt, volvoerden zij in 1213 hun plan van kanalisatie, dat in lateren tijd zoo grooten invloed oefende op de gesteldheid der Zuiderzee in het algemeen. Immers, zij lieten eerst eene gracht graven van Harlingen tot aan Grind7, welke thans nog het gewone vaarwater is, en de Harlinger Jetting (d. i. uitwatering, gieting) genoemd wordt, en van daar de Slenk of Monnikensloot tot aan het eiland; en dit een en ander gaf aan het steeds meer en meer indringende geweld der Noordzee, van tijd tot tijd gelegenheid om ten Westen en Noordwesten van Friesland, en later ook meer zuidelijk, al het land te verwoesten8.
Even als de oppervlakte van de overige eilanden (Texel, Terschelling, Ameland, enz.), welke den noordelijken schutsmuur van ons vaderland tegen de Noordzee uitmaken, zoo is ook die van Vlieland, door gedurige overstroomingen en stormvloeden ontzettend afgenomen. De omliggende platen bewijzen dit ten duidelijkste; terwijl het door de zee verzwolgen dorp West-Vlieland, daarvan mede ten sprekendste bewijze strekt. De aanleidende oorzaak van het wegspoelen van West-Vlieland was een fluit of ander vaartuig, dat bij eenen hevige Noord-Westen storm op het strand geslagen werd; waardoor eene opening in den dijk (zeker een stuifdijk) ontstond, door welke de zee naar binnen drong, en van tijd tot tijd een kreek of slufter vormde, welke dat gedeelte, waarop West-Vlieland lag, van het overige eiland afscheidde. Slechts bij laag water was deze kreek doorwaadbaar. Vóór omstreeks 60 à 70 jaren bestond zij nog; doch nu is zij weêr digt gespoeld of gestoven. Die kreek vereenigde dus de Noordzee met de Zuiderzee, even als zulks vroeger ook op Ameland het geval was, toen de Slenk dáár nog in wezen was.
Het ontstaan van genoemde kreek moet hebben plaats gehad in het begin der 18de eeuw, en bepaaldelijk op den 26 Februarij 1714, toen ook de kerk instortte.
Na zoo veel grondverlies is van Vlieland slechts eene lange en smalle strook gronds overgebleven, welke zich in hare lengte van het zuidwesten naar het noordoosten uitstrekt, in welke rigting het gansche eiland, met inbegrip van de Hors en andere buitengronden, eene lengte heeft van zes uren gaans.
Volgens kadastrale opmeting beslaat Vlieland thans eene oppervlakte van ongeveer 5215 bunders en 70 vierkante roeden, waarvan ruim 1689 bunders belastbaar land. Aan de zeezijde wordt het eiland door duinen tegen het geweld der baren beveiligd. De voornaamste dezer duinen, welke door onderscheidene min of meer uitgebreide vlakten of valleijen afgewisseld worden, zijn: het Oostersche lid9, Koois-lid, Veems-lid, Viamens-lid, het Oude Huizer-lid10) en het Meeuwenduins-lid. De belangrijkste valleijen zijn: de Oostersche Vallei, de Vallei beoosten de voormalige vuurbaak, de Koois-Vallei, benevens de Ooster- en Westervalleijen van Malgom11.
Vlieland’s bodem, geheel uit zandgrond bestaande, neemt vooral aan den Noordkant zeer sterk af, welke afneming, indien zij zoo voortgaat, als dit in de laatste honderd, of zelfs gedurende de jongstverloopene vijftig jaren het geval was, met grond vreezen doet, dat de Noordzee zich te dezer plaatse eenen nieuwen en zeer gevaarlijken doortogt naar de Zuiderzee banen zal, iets, dat met betrekking tot de daaraan grenzende provinciën, de meeste bekommering baren moet, zoo dit gevaar niet bij tijds door de noodige maatregelen van voorzorg wordt afgekeerd12. Van groot belang is daarom de duinbeplanting met helmriet. „Het is,” zegt zeker schrijver, „bijna onbegrijpelijk hoe (Vlieland) dus zijn behoud in dit opzigt, niet aan millioenen schats, maar aan deze plant en aan eenige bossen stroo en dunne takjes, waarin het helmriet vastgezet wordt, te danken heeft, dewijl opene vlakten daardoor thans van bevestigde duinen voorzien zijn. Door de aanplanting van dit helmriet, welks lange taaije en vezelachtige wortelen zich, al kruipende, soms wel zes voeten verre om zich heen in het dorre zand uitbreiden, worden de duinen middellijk voor verstuiving bewaard; terwijl de grond bovendien, door verrotting en natuurlijke bemesting, van tijd tot tijd eenigzins vruchtbaarder wordende, aanleiding ontvangt, dat ook andere planten daarin ontkiemen en tot de vastheid van de anders losse zandheuvelen bijdragen, ten einde den sterksten stormen wederstand te bieden. De vermindering van de oppervlakte van dit eiland is vooral zigtbaar op eene kaart van Vlieland, welke ten jare 1795 door den landmeter Peereboom vervaardigd werd, vooral, wanneer men die grondteekening vergelijkt met de plaats waar het dorp West-Vlieland heeft gelegen. Doch, behalve dit een en ander, is er nog meer dat van Vlielands voormalige grootere uitgestrektheid getuigt. Zoo lag er, in het laatste gedeelte der voorgaande eeuw, op den Noordoosthoek, bij de groote doch onbeplante duin, het witte Lid genaamd, eene batterij, welke thans door de zee verzwolgen is13.
Vroeger vond men in de reeds genoemde valleijen, hier en daar eenig groen. Dan, door de hevige stormen die in 1834, 1835 en 1836 plaats grepen, werd het ten eenen male, door verstuivingen, onder het zand bedolven14. Ook de Helianthenum, die hier vroeger welig tierde, is geheel verdwenen. De grond is echter voor vele soorten van houtgewas geschikt; terwijl men zich sedert 1843, meer algemeen op den verbouw der aardappelen heeft toegelegd, welke zeer voldoende resultaten oplevert: de vrucht is van uitmuntende hoedanigheid. Men heeft er twee velden, het Oostersche- en het Westersche Veld geheeten, waarvan het laatste telken jare, door afkabbeling der zee, kleiner van omvang wordt. De uitgestrektheid dezer velden is nogthans ter naauwernood toereikend voor het onderhoud van een twintigtal runderen en paarden welke met een veertigtal geiten, den algeheelen veestapel van dit eiland uitmaken. De grond is echter niet geschikt voor de schapenfokkerij, dewijl deze dieren er bijna allen ongans (ziek) worden. Het noodige hooi kan hier, bij gemis van genoegzaam gras-land, evenmin gewonnen worden; zoodat dit van elders moet worden aangevoerd. Dit is dan ook het geval met de meeste levensmiddelen, manufacturen en brandstoffen, welke meerendeels van Harlingen aangebragt, of wel, door eigen schippers van dáár gehaald worden, en waarvan ieder huisgezin zich tegen den winter moet voorzien, even als of men eene lange zeereis gaat ondernemen; tot het doen van welke proviandering men hier nog te meer verpligt is, omdat men bij ijsgang of bij langdurige winters meermaals langen tijd van het verkeer met den vasten wal verstoken is.
De tuinen welke rondom Oost-Vlieland gelegen zijn, zijn tamelijk vruchtbaar, en worden hoofdzakelijk bewerkt tot verkrijging van moesgroenten, wat peulvruchten en, tot vermaak, eenige bloemen; terwijl die gedeelten der duinen, welke ontgonnen zijn, zeer welsmakende aardappelen opleveren.
De voortbrengselen van Vlieland zijn overigens van weinig belang, en bepalen zich tot eenige konijnen, meereenden en andere watervogels, wier eijeren hier in de valleijen in menigte gevonden worden. Visch wordt er weinig gevangen, daar het aan menschen ontbreekt, die zich op de vischvangst zouden kunnen toeleggen. Wel vissen sommige loodsen, doch die vangst is van geene genoegzame beteekenis, om als van algemeen belang beschouwd te kunnen worden. Vooral is de bot die hier gevangen wordt, van puike kwaliteit!15
De konijnen die zich nog in de duinen ophouden, worden, des winters vooral, met netten, strikken of geweren, gevangen, het vleesch hier meestal genuttigd, en de vellen uitgevoerd. Een vogelkooi zoude, onzes bedunkens, op Vlieland wel behoorlijke winsten opleveren; want er houden zich dikwerf aanzienlijke scharen wilde eenden, talingen, smeenten, enz., op. De veestapel is mede van geene groote beteekenis, en bij lange na niet voldoende om in de dagelijksche behoeften, anders dan van melk, te voorzien. In 1856 telde men op Vlieland (volgens eene ons verstrekte opgave) omstreeks een veertigtal koeijen en klein rundvee, 12 paarden, 8 schapen en 40 geiten.
De luchtgesteldheid op Vlieland is zeer gezond: de bewoners genieten over het geheel een vaste gezondheid; terwijl men er vele oude lieden aantreft, wier vlugheid, spierkracht en welvarend voorkomen, eenen veel lageren ouderdom doen vooronderstellen, dan zij inderdaad bereikt hebben. Nogtans werd de bevolking meermaals door de gewone inlandsche ziekten bezocht. Voor nog geen twintig jaren werden in bijna alle huisgezinnen één of meer leden door de kinderziekte geteisterd; nog geen tien jaren geleden stierven velen aan de typhus; en kinkhoest en mazelen, ontvolkten bijna de school geheel.


Zonder twijfel was Vlieland reeds bij de Romeinen bekend, vermits dat overwinnende volk gewoon was, zijne krijgsbenden en legertrein naar Oost-Friesland te brengen door den Rijn in de Drususgracht of Nieuwen IJssel, welke laatste, zoo als bekend is, door den veldheer Drusus, gegraven werd, ter verbinding van den Rijn met den IJssel, en van dáár verder door het Vlie, en dus ook wederom terug, hetgeen gemakkelijker en veiliger was dan door Overijssel en Salland, alwaar vele moerassen en woeste bosschen waren; of door het Munstersche, dat te dien tijde bewoond werd door volksstammen, die den Romeinen geenszins genegen waren, en waarvan de nederlaag van Varus, ten sprekendste bewijze verstrekt; ja,

Download This eBook
This book is available for free download!

评论

普人特福的博客cnzz&51la for wordpress,cnzz for wordpress,51la for wordpress
Het Eiland Vlieland en Zijne Bewoners
Free Download
Free Book